Interpretatie en advies

Bij de interpretatie van uitgangspunten en kenmerken wordt uitgegaan van de beschrijving, dus van de huidige context van het bouwplan. Karakteristiek en leefbaarheid geven richting aan de beoordeling van de plannen. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de hoofdindeling zoals die voor de kenmerken wordt gehanteerd.

 

CONTEXT

De vier onderstaande toelichtingen kunnen worden gebruikt als handreiking voor het bekijken van het bouwwerk op zich in relatie tot de omgeving. 

Ligging

Een bouwwerk moet passen in de omgeving. De regels voor de plaatsing zijn voor een groot deel vastgelegd in de bestemmingsplannen. Welstand bekijkt binnen de grenzen van de ruimtelijke ordening of het ontwerp op zijn plek is.

Zo zal bij een tussenwoning de voorgevel vrijwel altijd in een doorgetrokken rooilijn liggen, terwijl een vrijstaande woning in positie vaak enigszins zal afwijken van de naastgelegen panden. In het algemeen geldt, dat het bestaande bebouwingspatroon de mogelijkheden bepaalt. Waar gelijkheid in een rij of binnen een cluster het straatbeeld vormt, zal een uitzondering een stedenbouwkundige aanleiding moeten hebben door bijvoorbeeld een wijkentree te benadrukken.

Op het kavel kunnen meerdere gebouwen staan. In het algemeen kan er een onderscheid worden gemaakt tussen het hoofdgebouw en bijgebouwen zoals een schuren en garages. Het hoofdgebouw is het gezicht naar de openbare ruimte. Omdat sommige kavels aan meer dan één kant grenzen aan de openbare ruimte, heeft een bouwwerk soms meerdere voorkanten.

Op een aantal plaatsen in de gemeente kan tussen de gebouwen door worden gekeken. Dit soort doorzichten komt voor langs de oude linten, maar is ook te vinden tussen sommige flatgebouwen. Binnen de grenzen en mogelijkheden van het bestemmingsplan zal welstand waar mogelijk kiezen voor het behoud van dergelijke doorzichten als onderdeel van de beleving van het ruimtelijk patroon.

Bouwmassa

Als een gebouw op de juiste plek staat, kan worden gekeken of de hoofdvorm past in zijn omgeving, bijvoorbeeld in het onderscheid tussen hoofdvolume en ondergeschikte bouwdelen.

Van belang is de opbouw van het volume. Het bestemmingsplan geeft om te beginnen richtlijnen voor de maximale hoogte en dakvorm. De bouwmassa is in het algemeen onderdeel van een stedenbouwkundig plan of patroon. Het is dus logisch als het zich hiernaar voegt. In buurten met een sterke nadruk op herhaling betekent dit, dat een nieuwe vorm niet zonder reden sterk afwijkt van de bestaande vormen. De hoofdrichting van de nok bijvoorbeeld is een van de overwegingen, die veelal samenhang met de stedenbouwkundige opzet van een gebied.

Een gebouw staat zelden op zichzelf. De bouwmassa verhoudt zich in maat en schaal tot zijn omgeving. Een portiekflat kan groot lijken tussen bungalows of eengezinswoningen, maar klein als het staat tussen torens van meer dan tien lagen. Het bestemmingsplan bepaalt welke omvang een bouwwerk mag krijgen, maar binnen die grenzen maakt het veel uit op welke manier een gebouw meegaat in de maat en schaal van zijn omgeving.

Ongeacht de massa kan een gebouw grof of juist fijn overkomen. Door een grote massa onder te verdelen in meerdere volumes of gecombineerde vormen zal deze eerder meegaan in het karakter van een kleinschalige omgeving. Door te kiezen voor een enkelvoudige hoofdvorm zoals een rechthoekige doos zonder onderverdeling zal een bouwwerk qua ontwerp eerder overeind blijven in een grootschalige omgeving. Door een passende uitwerking en onderverdeling van de massa te kiezen kan ook een gebouw met een afwijkende maat redelijkerwijs passen in de schaal van de omgeving.

Architectonische uitwerking

De architectonische uitwerking van het bouwwerk is het volgende onderdeel. Op dit niveau moet worden gezocht of de uitwerking van het bouwvolume past in de omgeving, maar ook of het ontwerp op zichzelf van voldoende kwaliteit is om niet uit de toon te vallen.

Ook in de architectonische uitwerking spelen maat- en schaalverhoudingen een grote rol. Met name de gevel is hierbij van belang. Een blinde muur oogt heel anders dan één met ramen en deuren. Ook dakranden, balkons en aanbouwen zijn van belang voor de onderverdeling zorgen van een ontwerp. De mate waarin onderverdeling wenselijk is, is opnieuw afhankelijk van het karakter van de omgeving. Op een bedrijventerrein zal de verfijning van de historische stadshuizen waarschijnlijk uit de toon vallen, terwijl die langs de singels in de meeste gevallen goed zou passen. Ook binnen moderne architectuur is een onderscheid in maat en schaal te herkennen.

In de architectuur is een voorkant een openbare zijde van het gebouw. Dit is vanoudsher de representatieve kant, de zijde van het gebouw die het meest van betekenis is voor de omgeving. Aan de achterkant ligt de nadruk meer op het privégebruik. Soms heeft een gebouw gezien zijn plaatsing meerdere voorkanten, denk daarbij aan een hoekwoning of een gebouw dat met zijn ‘achterkant’ aan doorgaande weg staat. Afhankelijk van de omgeving zullen de gevels meer of minder representatief moeten zijn.

Met ritmiek wordt in de architectuur de samenhang bedoeld, die ontstaat door het spel van herhaling en afwisseling. De gevelritmiek van een woningrij is meestal te definiëren als de herhaling van onder meer (identieke) ramen en deuren, waarmee ook de woningbreedte zichtbaar wordt gemaakt. Verbijzonderingen van een dergelijk ritme dienen meestal een stedenbouwkundige aanleiding te hebben. Denk hierbij aan een hoekpand of een bijzondere functie. Symmetrie (en dus ook asymmetrie) is een vergelijkbaar ordeningsprincipe, dat meestal per pand wordt toegepast maar soms ook in een straatwand terugkomt. Een architectonisch ontwerp kan zich aanpassen aan of een variatie vormen op de in de omgeving gebruikte ritmiek en symmetrie.

In de architectuur wordt veel gebruik gemaakt van horizontale en verticale lijnen. Oude huizen hebben vaak staande ramen, waarmee de nadruk wordt gelegd op de verticale lijnen. Woonflats leggen met hun balkons en galerijen vaak juist een nadruk op de horizontale belijning. Deze nadrukken zijn deels afhankelijk van de gekozen stijl, die bij aanpassingen aan bestaande gebouwen voldoende zal moeten worden gerespecteerd.

De detaillering van een gebouw is in dit verband de mate waarin het architectonische ontwerp is uitgewerkt in detail. Het gaat hier dus om de mate van zorgvuldigheid in de manier, waarop overgangen van materialen en kleuren worden toegepast in de uitwerking. Gezocht moet worden naar samenhang met de architectuur en de omgeving van het bouwwerk. Detaillering kan ook overmatig zijn of qua stijl uit de toon vallen.

Materiaal en kleur

Het gebruik van materiaal en kleur kan de verschijningsvorm van een gebouw maken of breken. Inpassing in de omgeving is te bereiken op verschillende manieren, maar de keuze van dezelfde of vergelijkbare materialen en kleuren leidt sneller tot een aanvaardbaar resultaat.

Materialen hebben ieder hun eigen vorm en textuur. In een gemetselde gevel zijn de stenen en voegen te zien. Met de keuze voor baksteen wordt naast de textuur van de stenen ook een structuur gekozen. Dezelfde muur ziet er in metselwerk, stucwerk of beton anders uit en zal in gevouwen staalplaat weer een ander uiterlijk krijgen. Elk materiaal heeft zijn eigen mogelijkheden. Met hout, steen, beton, glas, kunststof, staal, zink, koper of aluminium kiest de maker van een ontwerp voor de verschillende architectonische mogelijkheden.

De kleur van een gebouw is deels terug te voeren op de materialen. Beton en baksteen worden zelden verder afgewerkt, maar bijvoorbeeld staal en hout worden vrijwel altijd geschilderd en kunnen dus zo ongeveer elke denkbare kleur krijgen. Meestal krijgen grote vlakken terughoudende kleuren. De reden daarvoor is eenvoudig. Een flinke bedrijfshal ziet er bijvoorbeeld in lichtgrijs rustig uit en doet in felroze al snel pijn aan de ogen. Kleuren op kleinere elementen als kozijnen en deuren zijn geschikt om het gebouw te verlevendigen. Denk daarbij bijvoorbeeld aan witte kozijnen in een gemetselde gevel of lichtgekleurde daklijsten voor een pannendak. Ook stucaccenten in klassieke gevels hebben een dergelijk doel. De kleurkeuze kan de architectuur van het gebouw ondersteunen.

Grote projecten

 De welstandsnota bevat geen welstandscriteria voor grotere (her)ontwikkelingsprojecten, die de bestaande ruimtelijke structuur en karakteristiek doorbreken. Dergelijke welstandscriteria kunnen namelijk niet vantevoren worden opgesteld, maar maken onderdeel uit van een planningsproces. Voor ontwikkelingslocaties werkt de gemeente veelal met beeldkwaliteitplannen, waarin welstandscriteria zijn opgenomen. Deze plannen gaan in procedure veelal gelijk op met de stedenbouwkundige plannen. In beeldkwaliteitplannen staat de ambitie voor de gewenste kwaliteit van het te ontwikkelen gebied beschreven. Deze richtlijnen worden per locatie bepaald.

 

AFWIJKENDE PLANNEN

 De criteria voor gebieden en objecten gaan uit van de aanwezige kwaliteit en geven richtlijnen voor veranderingen, die redelijkerwijs passen in hun omgeving. Het kan voorkomen, dat een bouwwerk of een plan afwijkt van zijn omgeving. In dat geval kan er gebruik worden gemaakt van de criteria voor excessen of van de algemene criteria.

Excessen

Van een exces is sprake als het uiterlijk van een bouwwerk sterk afwijkt van en afbreuk doet aan de omgeving. Ook plannen die niet preventief worden getoetst moeten passen in het beeld van de gemeente. De burger heeft vrijheid binnen de structuur en architectuur van het bestaande gebied. De initiatiefnemer zal in redelijkerwijs moeten aansluiten op wat in de omgeving gebruikelijk is (uitgezonderd bouwwerken of gebieden, die expliciet als welstandsvrij zijn aangewezen). Daarbij geldt, dat er eerder sprake is van strijdigheid naarmate een bouwwerk meer zichtbaar is vanuit de openbare ruimte. Een aanbouw aan de achterzijde van een woning in een bouwblok is minder van invloed op het aanzien van de gemeente dan een aanbouw aan de zijgevel van een vrijstaande woning aan een doorgaande route. Ook is er eerder sprake van een exces bij cultureel erfgoed. Volgens de wet moeten de criteria voor het beoordelen op excessen in de welstandsnota zijn opgenomen. De hier opgenomen criteria zijn niet bedoeld om de plaatsing van een bouwwerk tegen te gaan. De gemeente hanteert bij het toepassen van deze excessenregeling het criterium, dat er sprake moet zijn van een buitensporigheid in het uiterlijk die ook voor niet-deskundigen evident is en die afbreuk doet aan de ruimtelijke kwaliteit van een gebied. Vaak heeft dit betrekking op:

Het visueel of fysiek afsluiten van een bouwwerk voor zijn omgeving
De plaatsing van een schuur of hoge schutting voor de voorgevel of het dichttimmeren van gevel openingen kan het zicht op een bouwwerk hinderen.

Het ontkennen of vernietigen van architectonische bijzonderheden
Aanpassingen aan een bouwwerk kunnen de architectonische bijzonderheden van een pand zodanig beschadigen dat het in strijd is met redelijke eisen van welstand. Een toegevoegd wezensvreemd element dat de architectuur van een pand ontkent, kan het oorspronkelijk karakter van een bouwwerk (deels) teniet doen, net als achterstallig onderhoud aan de buitenzijde van een bouwwerk. Van een andere orde zijn bouwwerken die door een calamiteit geheel of gedeeltelijk onherstelbaar zijn beschadigd. Het in stand laten van dit soort objecten kan een exces zijn.

Armoedig materiaalgebruik
Omdat materialen die niet geschikt zijn als bouwmateriaal kunnen leiden tot een armoedige en ook gevaarlijke situaties, kan de gemeente op basis van welstand verlangen dat een ander materiaal wordt gebruikt.

Felle of contrasterende kleuren
Het toepassen van felle kleuren of kleuren die contrasteren met de directe omgeving, kan leiden tot een onrustig beeld en is daarom welstandshalve ongewenst.

Te opdringerige reclames
Een veelheid of hinderlijk in het oog springende reclame kan een exces zijn.  Of er daadwerkelijk sprake is van een exces is onder andere afhankelijk van de ligging en de omvang van het gebouw.

Een te grove inbreuk op wat in de omgeving gebruikelijk is
Een gevel kan door een veelvoud van kleine toegevoegde elementen te veel uit de toon vallen. Daarnaast kunnen een of meerdere nieuwe gebouwen de samenhang in een gebied verstoren doordat de kenmerken hiervan teveel afwijken van wat gebruikelijk is.

Aan de hand van de gebiedsgerichte welstandscriteria kan bekeken worden wat redelijkerwijs verwacht kan worden van een nieuw gebouw. Voor de reguliere welstandsgebieden worden deze criteria wat soepeler geïnterpreteerd, in de bijzondere gebieden juist wat preciezer. Bij de beoordeling of een object al dan niet een exces is, wordt hiermee rekening gehouden.

Algemene criteria

De algemene welstandscriteria richten zich op het vakmanschap. In bijzondere situaties, wanneer de gebiedsgerichte en de objectgerichte welstandscriteria ontoereikend zijn, kan het nodig zijn expliciet terug te grijpen op de algemene welstandscriteria. Dit kan het geval zijn als een bouwplan past binnen de criteria voor objecten of gebieden en toch duidelijk onder de maat blijft of als het afwijkt van de omgeving maar door bijzondere schoonheid wél aan redelijke eisen van welstand voldoet. Ook daar waar (grootschalige) ontwikkelingen plaatsvinden en geen aanvullende regels gelden, zijn de algemene criteria van toepassing.

In dit hoofdstuk is een samenvatting opgenomen van deze algemeen geldende criteria. De volledige tekst is opgenomen in de bijlage van de welstandsnota, die via deze site te downloaden is.

Relatie tussen vorm, gebruik en constructie
Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat de verschijningsvorm een relatie heeft met het gebruik ervan en de wijze waarop het gemaakt is, terwijl de vormgeving daarnaast ook zijn eigen samenhang en logica heeft.

Relatie tussen bouwwerk en omgeving
Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de openbare (stedelijke of landschappelijke) ruimte. Daarbij worden hogere eisen gesteld naarmate de openbare betekenis van het bouwwerk of de omgeving groter is.

Betekenissen van vormen in sociaal-culturele context
Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat verwijzingen en associaties zorgvuldig worden gebruikt en uitgewerkt, zodat er concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit.

Evenwicht tussen helderheid en complexiteit
Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat er structuur is aangebracht in het beeld, zonder dat de aantrekkingskracht door simpelheid verloren gaat.

Schaal en maatverhoudingen
Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een samenhangend stelsel van maatverhoudingen heeft dat beheerst wordt toegepast in ruimtes, volumes en vlakverdelingen. 

Materiaal, textuur, kleur en licht
Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat materiaal, textuur, kleur en licht het karakter van het bouwwerk zelf ondersteunen en de ruimtelijke samenhang met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan duidelijk maken.

  • Laatste update: 28-11-2016